Schrift & belijdenisVeritas Reformata English
Zegel van Veritas ReformataVERITASREFORMATAHerstelde waarheid

Ontwikkelingen in de GK · J. Plaggenmars · oktober 2026

Niet binden waar Christus niet bindt

Maar ook niet loslaten wat Hij bindt.

Een gereformeerde reactie op “Een kerk met stromingen maar zonder partijen” in De Bazuin.

De vraag is niet: hoeveel stromingen kunnen wij verdragen?

In De Bazuin verscheen het artikel “Een kerk met stromingen maar zonder partijen”, met als ondertitel: “Wat leert K. Schilder ons over eenheid?” Het artikel wil waarschuwen tegen partijvorming en tegen het kerkelijk binden van broeders aan opvattingen waarvoor naar Schrift en belijdenis geen bindende grond bestaat. Dat beginsel is gereformeerd en verdient bescherming.

Maar juist omdat K. Schilder en de Vrijmaking als getuigen worden ingeroepen, moet zeer nauwkeurig worden onderscheiden wat Schilder werkelijk leerde. Het probleem van het artikel is niet dat het Schilder letterlijk laat zeggen dat de pluriformiteitsleer juist is. Het probleem is subtieler: Schilders verzet tegen ongeoorloofde binding wordt gebruikt om te waarschuwen tegen het binden van anderen aan kritiek op pluriformiteit, terwijl onvoldoende wordt uitgewerkt dat Schilder die pluriformiteitsleer zelf jarenlang principieel en confessioneel bestreed.

De kernvraag is daarom: gaat het bij de afwijzing van een bepaalde pluriformiteitsleer om een particuliere mening, of om hetgeen de kerken reeds samen uit Gods Woord belijden in NGB 27, 28 en 29?

De beslissende zin in De Bazuin luidt:

“Dat maakt ook duidelijk dat als we verdergaan in ons denken en anderen willen binden aan onze kritiek op pluriformiteit en onze gedachten over de doop, wij Schilder en de Vrijmaking niet aan onze kant hebben.”

De Bazuin, “Een kerk met stromingen maar zonder partijen. Wat leert K. Schilder ons over eenheid?”

Die zin kan waar zijn wanneer met “onze kritiek” een particuliere theologische uitwerking wordt bedoeld die boven Schrift en belijdenis wordt verheven. Maar hij is te algemeen wanneer niet eerst wordt gevraagd wat de kerk in haar eigen belijdenis reeds heeft uitgesproken. Wie een broeder aan een eigen formule bindt, overschrijdt zijn bevoegdheid. Wie daarentegen de gezamenlijk ondertekende confessie ernstig neemt, vraagt wat de kerken samen uit Gods Woord hebben beleden.

De discussie wordt daarom verkeerd ingezet wanneer de eerste vraag luidt hoeveel verschil een kerk kan verdragen. Bij Schilder ligt een diepere vraag vóór die vraag: op welke publieke grondslag vergadert Christus Zijn kerk? Zijn ruimte voor verschillende mensen en nog niet uitgemaakte kwesties, zijn verzet tegen menselijke binding, zijn strijd tegen pluriformiteit en zijn drang tot hereniging komen alle uit hetzelfde beginsel voort: Christus alleen bepaalt door Zijn Woord de grondslag, de eenheid en de grenzen van Zijn kerk.

1. NGB 27-29: één kerk, één roeping, één toets

De Nederlandse Geloofsbelijdenis zet de zaak opmerkelijk helder neer. Artikel 27 begint niet met een veelheid van kerkelijke instituten die elk op hun wijze de ene kerk zouden openbaren. Het belijdt “een enige katholieke of algemene Kerk”: de heilige vergadering van ware christgelovigen, over heel de wereld verbreid en toch in één Geest verenigd.

Nederlandse Geloofsbelijdenis, art. 27.

Artikel 28 spreekt vervolgens niet over een andere kerk. Het zegt dat alle gelovigen zich bij “deze heilige vergadering” behoren te voegen en daarmee te verenigen. In de gereformeerde uitleg die Schilder verdedigt, kan de kerk van artikel 27 daarom niet worden losgemaakt van de concrete vergadering van artikel 28. De gelovige wordt geroepen zich bij deze vergadering te voegen, haar eenheid te onderhouden en onder het juk van Jezus Christus te buigen.

Nederlandse Geloofsbelijdenis, art. 28.

Daarom moet artikel 29 volgen. Wie geroepen wordt zich bij déze vergadering te voegen, moet ook kunnen onderscheiden waar zij naar Christus’ Woord openbaar wordt. De belijdenis wijst daarvoor op de zuivere prediking van het Evangelie, de zuivere bediening van de sacramenten en de kerkelijke tucht. De kerk richt zich naar het zuivere Woord van God, verwerpt wat daarmee strijdt en houdt Jezus Christus voor het enige Hoofd.

Nederlandse Geloofsbelijdenis, art. 29.

De confessionele beweging is dus: één kerk (art. 27) - voeg u bij deze vergadering (art. 28) - onderscheid haar naar Gods Woord (art. 29).

Dat is iets anders dan uitgaan van de bestaande kerkelijke kaart: er zijn veel kerken, in verschillende ervan zijn gelovigen en waarheid aanwezig, en daarom zouden zij als verschillende wettige gestalten van de ene kerk moeten worden verstaan. Juist tegen die omkering hebben gereformeerde theologen als Greijdanus, Doekes en Schilder zich verzet.

2. De sleutel bij Schilder: een brede kerk door een scherpe publieke norm

Schilder wilde een brede, katholieke kerk. Maar zijn breedheid bestond niet daarin dat de norm ruim of rekbaar werd gemaakt. Juist het omgekeerde is het geval. Omdat de kerk niet bijeenkomt op grond van geestelijke ligging, karakter, sympathie, partij of historische groepsidentiteit, moet de gemeenschappelijke basis objectief en publiek zijn: het Woord van Christus en de daarop gegronde belijdenis. Daarom kunnen binnen de kerk zeer verschillende mensen bijeen zijn zonder dat de kerk een verzameling van gelijkgezinden wordt.

Dat verklaart waarom Schilder tegelijk ruim tegenover personen en scherp tegenover leer en norm kan spreken. De nuchtere en de bevindelijke, de rustige en de lastige, mensen van verschillende sociale of politieke ligging hoeven elkaar niet eerst te liggen. Zij worden niet door sfeer, maar door Christus vergaderd. Maar juist daarom mag de publieke grondslag niet worden aangepast aan menselijke voorkeuren - niet door eraan toe te voegen wat Christus niet bindt, en evenmin door los te laten wat Hij wel bindt.

Schilder verdedigde dus geen brede kerk doordat hij de norm ruim maakte. Hij verdedigde een brede kerk doordat hij de norm scherp hield. Hoe minder de kerk selecteert op mensentype, sfeer en persoonlijke sympathie, des te noodzakelijker is het dat helder blijft waarop allen samen staan.

De diepste tegenstelling is daarom niet: streng of verdraagzaam. De tegenstelling is: wordt de kerk geregeerd door de objectieve norm van Christus, of door menselijke voorkeur, ervaring, sfeer en kerkelijke gewoonte?

3. Calvijn: geen sektarische haast, maar ook geen relativisme

Johannes Calvijn bewaart op dit punt twee zijden die beide nodig zijn. Enerzijds neemt hij de zichtbare kerk uiterst ernstig. In Institutie IV,1 spreekt hij over de kerk als onze moeder en over de concrete bediening van Woord en sacrament. Anderzijds waarschuwt hij tegen eigenmachtige afscheiding wegens ieder gebrek. Niet elke fout in leer of leven maakt kerkelijke samenleving onmiddellijk onmogelijk; de roeping is dan reformatie, niet haastige scheuring.

Johannes Calvijn, Institutie, IV.1, §§ 9-12.

Calvijn leert dus niet dat ieder verschil onmiddellijk kerkelijke scheiding rechtvaardigt. Hij verbindt het verdragen van zulke gebreken uitdrukkelijk met de plicht te reformeren wat verkeerd is. Dat onderscheid is wezenlijk: een broeder verdragen die dwaalt is niet hetzelfde als zijn dwaling tot een wettige blijvende positie verklaren.

4. Schilder over NGB 27 en 28: het gaat om één en dezelfde kerk

K. Schilder bestrijdt uitdrukkelijk de constructie waarbij artikel 27 over een andere - bijvoorbeeld uitsluitend onzichtbare - kerk zou spreken dan artikel 28. Hij schrijft:

“in beide artikelen is één en dezelfde Kerk bedoeld.”

K. Schilder, Christelijke religie (1949), art. 28, “De communione sanctorum cum vera Ecclesia”.

Zijn argument is juist de uitdrukking uit artikel 28: “deze heilige vergadering”. De kerk die wij in artikel 27 belijden is volgens Schilder identiek met de kerk waarbij artikel 28 ons gebiedt ons te voegen. Daarmee wordt de zichtbare kerkelijke gehoorzaamheid niet naar een tweede plan verschoven.

5. Schilder: gezonde verscheidenheid is iets anders dan zondige gescheurdheid

Schilder ontkent verscheidenheid allerminst. Hij erkent verschillen in volk, karakter, gaven en natuurlijke aanleg. Maar juist daarom verzet hij zich ertegen dat dezelfde mooie naam “pluriformiteit” wordt gebruikt voor kerkelijke verscheurdheid.

“Het is allemaal beeldspraak, die de zaak verdoezelt, al dat pluriformiteitsgepraat”

K. Schilder, Christelijke religie (1949), art. 27, “De Ecclesia Catholica”.

“Deze pluriformiteitsgedachte gebruikt echter een naam voor gezonde gaven Gods voor zieke dingen, en dat is fout.”

K. Schilder, Christelijke religie (1949), art. 27, “De Ecclesia Catholica”.

“Satan heeft van de onderscheidingen gemaakt oorzaken tot scheiding. Maar God maakt ze aanleidingen tot verbintenis!”

K. Schilder, Christelijke religie (1949), art. 27, “De Ecclesia Catholica”.

Dit is belangrijk voor de titel “Een kerk met stromingen maar zonder partijen”. Als met stromingen verschillende gaven, natuurlijke onderscheidingen of nog niet confessioneel besliste inzichten worden bedoeld, is dat goed te verdedigen. Maar wanneer “stroming” ook de naam wordt voor een blijvende tegenstelling over wat Christus van Zijn kerk eist, wordt een ander probleem onder hetzelfde vriendelijke woord gebracht.

6. Greijdanus: pluriformiteit - maar binnen de ware kerk

S. Greijdanus had al vroeg bezwaar tegen de Kuyperiaanse pluriformiteitsgedachte. Schilder geeft zijn standpunt als volgt weer:

“Wilt ge spreken van pluriformiteit? Goed, maar dan binnen de ware Kerk”

S. Greijdanus, weergegeven door K. Schilder in Christelijke religie (1949), art. 27; vgl. De Kerk, Prolegomena.

Het beslissende woord is “binnen”. De bijbelse veelheid is de veelheid van leden in één lichaam (1 Kor. 12), niet de veelheid van tegenstrijdige lichamen die pas op een hoger niveau als één zouden gelden.

7. G. Doekes: de zichtbare, georganiseerde kerk

G. Doekes stelt de vraag nog scherper. In het minderheidsrapport van K. Schilder en D.H.Th. Vollenhoven wordt hij aangehaald over de betekenis van de belijdenis voor de zichtbare kerk. Doekes spreekt uitdrukkelijk over:

“de zichtbare, georganiseerde kerk”

G. Doekes, aangehaald in K. Schilder en D.H.Th. Vollenhoven, Rapporten inzake de pluriformiteit der Kerk (1939), deel IV.

En op de vraag of de belijdenis ruimte laat voor wat men onder pluriformiteit verstaat, wordt Doekes aldus geciteerd:

“En dan spreekt de Confessie, zooals we aantoonden, zoo duidelijk mogelijk uit, dat die ruimte niet bestaat”

G. Doekes, aangehaald in K. Schilder en D.H.Th. Vollenhoven, Rapporten inzake de pluriformiteit der Kerk (1939), deel IV.

Dat is geen klein accentverschil. Hier staat de vraag centraal of de klassieke pluriformiteitsconstructie überhaupt met de historische en confessionele lezing van NGB 27-29 te verenigen is.

8. “Ja” en “nee” worden geen eenheid door ze beide stromingen te noemen

In Americana maakt Schilder duidelijk waarom hij zo beducht is voor een kerkbegrip waarin tegengestelde uitspraken als vormen van één hogere waarheid worden beschouwd:

“‘ja’ en ‘neen’ blijven voor God altijd contrasten.”

K. Schilder, Americana (1942), V, “De pluriformiteit der kerk”.

“Die kunnen niet onder één wezen gebracht worden.”

K. Schilder, Americana (1942), V, “De pluriformiteit der kerk”.

Schilder ontkent dus niet dat er tijdelijk verschillen kunnen bestaan die kerkelijk verdragen moeten worden. Hij ontkent dat tegenstrijdigheid daarmee een positieve, blijvende pluriformiteit wordt. Waar op dezelfde zaak werkelijk “ja” en “nee” tegenover elkaar staan, moet de kerk niet een hogere noemer zoeken die beide legitimeert; zij moet terug naar het Woord.

9. “Er zijn daar gelovigen” is geen bewijs dat het instituut wettig kerk is

Een veelgebruikt argument voor een ruim pluriformiteitsbegrip is de aanwezigheid van ware gelovigen buiten de eigen kerkelijke vergadering. Schilder ontkent die aanwezigheid niet. Hij bestrijdt de gevolgtrekking die er vaak aan wordt verbonden.

“Er is heusch wel wat meer noodig om kerk te heeten in den zin der confessie, dan dat men geloovigen herbergt binnen zijn muren.”

K. Schilder, “Er zijn daar nog geloovigen...”, De Reformatie, 1 maart 1940; herdrukt in Verzamelde werken 1940-1941.

Gods genade aan een gelovige is niet automatisch Gods goedkeuring van het kerkelijke instituut waarin die gelovige zich bevindt. Het werk van de Heilige Geest mag niet worden omgebouwd tot een andere norm voor het kerk-zijn dan de norm die God in Zijn Woord geeft en die de kerk in NGB 29 naspreekt.

10. Schilder wilde gesprek - met als doel eenstemmigheid

Op dit punt verdient De Bazuin instemming. Schilder wilde niet ieder verschil onmiddellijk kerkelijk afsnijden. Hij verzette zich tegen voortijdige binding. Maar waarheen moest het gesprek volgens hem leiden?

“dat er nog heel wat studie en samenspreking in onze Kerken noodzakelijk zal zijn om hier tot eenstemmigheid te komen — we zouden gezwegen hebben.”

K. Schilder, “‘Geref. Jongelingsblad’ en pluriformiteit”, De Reformatie, 1 december 1939; herdrukt in De Kerk, deel II (1962), p. 399-402.

Dat is een wezenlijk ander einddoel dan het institutionaliseren van twee blijvend tegengestelde stromingen. Kerkelijke lankmoedigheid is bij Schilder ruimte om samen onder het Woord tot helderheid en eenstemmigheid te komen.

11. De Vrijmaking: tegen binding die niet uit Schrift en belijdenis bewezen kon worden

De Bazuin heeft gelijk dat de Vrijmaking van 1944 niet eenvoudig verklaard kan worden uit het bestaan van theologische verschillen. Het conflict spitste zich toe op binding, schorsing en afzetting. Maar de Acte van Vrijmaking of Wederkeer laat ook zien wát voor binding werd bestreden.

“ons in de consciëntie niet bindt, en niet binden mag, aangezien zij noch in de Heilige Schrift, noch in onze belijdenis te vinden is, noch daaruit redelijkerwijs af te leiden is”

Acte van Vrijmaking of Wederkeer, 11 augustus 1944, II.A; herdrukt in K. Schilder, Verzamelde werken 1942-1944, p. 524-529.

De Vrijmaking is dus niet een protest tegen confessionele binding als zodanig. De kerken waren en bleven juist gebonden aan Schrift en belijdenis. Het protest richtte zich tegen een binding die volgens de Acte niet uit Schrift en belijdenis bewezen kon worden. Dat onderscheid is beslissend.

De regel die uit deze gereformeerde lijn naar voren komt, is tweezijdig: niet binden waar Christus niet bindt - maar ook niet loslaten wat Christus in Zijn Woord en in de daarop gegronde confessie bindt.

12. Erlangen: een biografische mededeling moet van Schilders kerkleer worden onderscheiden

De Bazuin voert vervolgens een episode uit Schilders studietijd in Erlangen aan. Die aanduiding vraagt enige precisie. Schilder was toen reeds predikant van Rotterdam-Delfshaven en kreeg studieverlof. Tijdens drie semesters tussen 1930 en 1932 volgde hij in Erlangen colleges en werkte hij aan zijn promotie; op 3 maart 1933 promoveerde hij daar. Het gaat dus om een episode uit zijn studieverlof en promotietijd, niet om een periode waarin hij nog theologisch student was.

K. Schilder, Zur Begriffsgeschichte des “Paradoxon” (Erlangen, 1933), curriculum vitae, p. 469.

De Bazuin vermeldt, met verwijzing naar J.J.C. Dee, dat Schilder in die periode in een Lutherse kerk aan het avondmaal zou hebben deelgenomen. Dee is hier een latere biografische bron. Voor zover in de voor dit artikel geraadpleegde bronnen kon worden vastgesteld, is geen primaire tekst van Schilder zelf aangetroffen - geen brief, dagboekaantekening, autobiografische passage of andere eigen verklaring - waarin hij deze avondmaalsdeelname vermeldt of verantwoordt. Dat bewijst niet dat de mededeling van Dee onjuist is. Het betekent wel dat zij bronmatig als secundair overgeleverd moet worden behandeld en niet als een uit Schilders eigen geschriften rechtstreeks vastgesteld feit.

J.J.C. Dee, K. Schilder, zijn leven en werk, deel I: 1890-1934 (Goes, 1990), p. 239-240.

Dat onderscheid is des te belangrijker wanneer uit deze episode een kerkelijke conclusie wordt getrokken. Zonder de primaire bron is niet vast te stellen onder welke omstandigheden de eventuele deelname plaatsvond, hoe Schilder de Lutherse gemeente ter plaatse beoordeelde, of hij de situatie als uitzonderlijk beschouwde en hoe hij zijn eigen handelen theologisch verantwoordde. Een biografische mededeling waarvan die context ontbreekt, kan daarom niet zonder meer dienen als bewijs voor een algemene leer over de pluriformiteit van de kerk.

Wel citeert De Bazuin uit een brief van Schilder aan C. Veenhof waarin hij vertelt dat een Lutherse Pfarrer hem voorzichtig gevraagd had eens te preken. Schilder heeft dat niet gedaan. In het geciteerde fragment noemt hij vooral praktische bezwaren - taal, verstaanbaarheid en het moeten uitschrijven van de preek - en ontvouwt hij geen principieel kerkrechtelijk betoog. Ook daaruit mag echter niet het omgekeerde worden afgeleid: het ontbreken van een principiële uiteenzetting in één particuliere brief is nog geen principiële goedkeuring van kanselruil tussen gescheiden kerkelijke instituten.

Er moeten daarom drie vragen scherp uit elkaar worden gehouden: de persoonlijke erkenning van andere christenen; het handelen in een bijzondere buitenlandse of kerkelijke situatie; en de principiële vraag of verschillende gescheiden kerkelijke instituten daarom ieder als wettige openbaringen van Christus’ ene kerk mogen worden erkend. Het Erlanger materiaal beantwoordt die derde vraag niet. Broederschap is nog geen kerkelijke legitimatie; een uitzonderlijke handeling is nog geen kerkleer.

Wie vervolgens Schilders normatieve geschriften raadpleegt, vindt juist een veel scherpere lijn. In zijn uitvoerige behandeling van de gereformeerd-lutherse moeilijkheden te Frankfurt onderscheidt hij zorgvuldig tussen overgangs- en noodsituaties enerzijds en een confessioneel uitgekristalliseerde tegenstelling anderzijds. Wanneer de Lutherse richting de gereformeerde belijdenis en de rechte avondmaalsbediening daadwerkelijk verdringt, schrijft hij:

“Het avondmaal kan men er niet vieren.”

K. Schilder, “Frankforts moeiten en Calvijn”, De Reformatie, 23 februari 1940; herdrukt in Verzamelde werken 1940-1941.

“Calvijn is zoo ‘breed’ niet, als men tegenwoordig nog al eens hoort verzekeren.”

K. Schilder, “Frankforts moeiten en Calvijn”, De Reformatie, 23 februari 1940; herdrukt in Verzamelde werken 1940-1941.

Daarom moet juist bij het Erlanger voorbeeld de bewijslast worden omgekeerd. Zelfs wanneer de door Dee vermelde avondmaalsdeelname historisch bevestigd zou worden, kan één persoonlijke handeling tijdens Schilders studieverlof niet de maatstaf zijn voor zijn ecclesiologie. Daarvoor zijn zijn uiteengezette, normatieve geschriften beslissend. En daarin weigert hij overgangssituaties of persoonlijk contact te gebruiken als bewijs dat de scheiding tussen gereformeerd en luthers daarom een door Christus gewilde pluriformiteit zou zijn. De episode kan hoogstens iets zeggen over Schilders handelen in een concrete situatie; zij kan zijn leer van de ene kerk niet vervangen.

13. Geen “donatistisch clubje”: breed in mensen, scherp in grondslag

Ook het door De Bazuin aangehaalde woord over het “donatistisch clubje” krijgt pas zijn volle betekenis wanneer de hele passage wordt gelezen. Schilder wil de kerk niet laten verworden tot

een gezelschap van één geestestype, één politieke of maatschappelijke ligging, of mensen die elkaar gemakkelijk liggen. Hij wil de eenheid bewaren met nuchteren, malcontenten en mensen die bijna evenveel mankeren als wijzelf. Maar juist in dezelfde zin geeft hij de grens aan.

“de eenheid met mensen, die evenveel mankeren bijna als wijzelf, maar die zich laten vergaderen op de publiek bekende basis”

K. Schilder, brief van 16 februari 1951, Schilder-archief; geciteerd in D. Deddens en M. te Velde (red.), Vrijmaking - Wederkeer. Vijftig jaar Vrijmaking in beeld gebracht (1994), p. 145.

“bindende waar God niet bindt, dwingende tot zonde.”

K. Schilder, brief van 16 februari 1951, Schilder-archief; geciteerd in D. Deddens en M. te Velde (red.), Vrijmaking - Wederkeer. Vijftig jaar Vrijmaking in beeld gebracht (1994), p. 145.

Daarmee wordt duidelijk wat Schilders anti-donatisme wél en niet betekent. Hij verzet zich tegen een kerk van uitgezochte, gelijkgestemde of zogenaamd geestelijk zuivere mensen. Hij verzet zich niet tegen de zuivere norm van de kerk. Integendeel: juist omdat zeer verschillende en gebrekkige mensen samen kerk moeten zijn, moeten zij zich allen laten vergaderen op dezelfde publiek bekende basis.

De kerk hoeft dus niet uit zuivere mensen te bestaan; haar norm moet wel zuiver blijven. Dat is de diepere samenhang. Schilders breedheid tegenover personen is de keerzijde van zijn scherpte tegenover de norm. Wie zijn waarschuwing tegen een “donatistisch clubje” gebruikt om confessioneel strijdige leer als blijvende stroming te beschermen, keert de bedoeling om: de menselijke selectie wordt bij Schilder afgesneden juist opdat alleen Christus’ publieke norm regeren zal.

14. Hereniging met de Christelijke Gereformeerden: niet de geschiedenis wegdoezelen, maar gehoorzamen aan het ene kerkgebod

Het voorbeeld van de verhouding tot de Christelijke Gereformeerde Kerk laat misschien nog duidelijker zien wat Schilder onder kerkelijke eenheid verstaat. De Bazuin haalt terecht aan dat hij bij een mogelijke hereniging “enkele tientallen jaren van narigheid” voorzag. Hij wist dat verschillende liggingen, gewoonten en kerkelijke gevoeligheden niet ineens verdwenen zouden zijn. Toch wilde hij die moeite aanvaarden, omdat voor hem uiteindelijk niet de prettige kerkelijke sfeer beslissend was, maar het gebod van Christus.

“Ik aanvaard om Christus wil, zodra men ginds maar wil, al de moeiten, die een hereniging meebrengen zal, omdat Gods gebod ons hier beveelt”

K. Schilder, “Contact Gereformeerden-Christelijk Gereformeerden. Geen versterking van den invloed van Docent Kersten”, in De Kerk, deel I (1960), p. 233 e.v.

Daarbij moet echter één misverstand worden voorkomen. Schilder bedoelt niet dat de geschiedenis van een kerkscheuring onbelangrijk zou zijn zodra beide partijen dezelfde belijdenis onderschrijven. Integendeel. In “Over kerk en kerken” bestrijdt hij juist de gedachte dat men bij de beoordeling van kerkformaties de geschiedenis buiten beschouwing kan laten. De vraag hoe een afzonderlijke kerkelijke formatie is ontstaan, raakt volgens hem mede aan de vraag of zij werkelijk in gehoorzaamheid aan de Koning der kerk tot stand kwam.

K. Schilder, “Over kerk en kerken”, in De Kerk, deel I (1960), p. 179-183, met name p. 180-183.

Zijn voorbeeld van Middelharnis is daarom scherp. Wanneer mensen zich zonder wettige grond van de bestaande kerkelijke vergadering afscheiden en daarna een eigen kerkelijk leven organiseren, weigert Schilder eenvoudig te zeggen dat daar vanzelf opnieuw ambtsdragers “namens Christus” zijn. De kerkelijke daad zelf moet worden getoetst aan het objectieve gebod van Christus.

K. Schilder, “Over kerk en kerken”, in De Kerk, deel I (1960), p. 181-183.

Juist daarin ligt ook de betekenis van zijn bekende uitspraak:

“Ik eis alleen, dat we aan beide zijden de belijdenis handhaven.”

K. Schilder, “Over kerk en kerken”, in De Kerk, deel I (1960), p. 182.

Schilder zegt daarmee niet: de geschiedenis doet er niet toe. Hij zegt iets anders: voor de daad van hereniging hoeft de andere partij niet eerst zijn volledige historische beoordeling over te nemen. Over de interpretatie van het verleden kan, eenmaal weer kerkelijk verenigd, verder worden gesproken. Maar de concrete hereniging mag niet worden opgehouden doordat men eerst van elkaar verlangt dezelfde geschiedschrijving te aanvaarden.

K. Schilder, “Over kerk en kerken”, in De Kerk, deel I (1960), p. 182.

Dat is een belangrijk onderscheid. De geschiedenis blijft nodig om te beoordelen waar in het verleden gehoorzaamheid en waar zonde lag. Maar het herstel van de kerkelijke eenheid mag niet afhankelijk worden gemaakt van menselijke eer, groepsgelijk of de eis dat de ander eerst “flink moet bukken”. Schilder zegt uitdrukkelijk dat hij dat niet begeert en voegt eraan toe dat ook aan eigen zijde de schuld om verzoening roept.

K. Schilder, “Over kerk en kerken”, in De Kerk, deel I (1960), p. 182.

Daarmee wordt zijn ene-kerk-leer juist nog scherper. Wanneer twee gescheiden kerkformaties eenvoudig beide in hun afzonderlijke bestaan als door Christus gewilde en gelijkelijk wettige kerken zouden kunnen worden beschouwd, zou volgens Schilder de noodzakelijke aandrang tot herstel verdwijnen. Dan zou men feitelijk kunnen zeggen:

“laat maar blijven zitten, wat zit”

K. Schilder, “Over kerk en kerken”, in De Kerk, deel I (1960), p. 182.

Dat is voor hem juist de onaanvaardbare consequentie. Want dan wordt de kerkelijke scheiding niet langer beoordeeld als een toestand die onder het gebod van Christus om verantwoording, bekering en herstel vraagt, maar als een min of meer normale vorm van kerkelijk bestaan.

Schilder wil daarom vasthouden aan wat hij het “objectieve gebod” noemt. Juist door dat gebod niet te vervangen door verschillen in “ligging”, religieuze behoefte of historisch gegroeide groepsidentiteit, bewaart hij naar eigen zeggen:

“den steeds werkzamen prikkel tot hereniging”

K. Schilder, “Over kerk en kerken”, in De Kerk, deel I (1960), p. 183.

Hier ligt het beslissende verschil met een pluriformiteitsopvatting die de bestaande institutionele verdeeldheid uiteindelijk kan verklaren als meerdere wettige gestalten van Christus’ ene kerk. Voor Schilder is de vraag niet of twee groepen allebei veel waarheid bezitten, oprechte gelovigen kennen of een gereformeerde belijdenis voeren. De vraag blijft ook: hoe is deze scheiding ontstaan, en kan zij voor het aangezicht van Christus verantwoord worden?

Tegelijk verhindert dat scherpe oordeel de hereniging niet. Het drijft er juist toe. Want waar beide zijden zich opnieuw daadwerkelijk onder dezelfde belijdenis en het ene kerkelijke gebod stellen, mag het historische debat niet als excuus worden gebruikt om de bestaande scheiding te bestendigen.

Schilders positie is daarom scherper dan zowel een gemakkelijk oecumenisme als een star kerkelijk groepsdenken. Hij zegt niet: de geschiedenis doet er niet toe. Evenmin zegt hij: eerst moet de ander mijn volledige oordeel over de geschiedenis overnemen. Hij zegt in wezen: de geschiedenis moet onder het gebod van Christus worden beoordeeld; de zonde van scheuring mag niet worden gelegitimeerd; maar waar concrete gehoorzaamheid en hereniging mogelijk worden, mag menselijke groepsgeschiedenis het gebod tot eenheid niet blokkeren.

Daarom is zijn scherpe onderscheiding tussen kerk en secte niet de vijand van de eenheid. Naar zijn eigen overtuiging bewaart zij juist het argument waarom gescheiden gereformeerden niet tevreden mogen zijn met hun gescheiden bestaan.

15. Het voorbeeld van dr. Arntzen bewijst minder dan De Bazuin ermee suggereert

De Bazuin wijst erop dat dr. Arntzen later als dienaar van het Woord werd toegelaten, hoewel bij hem sympathie bestond voor bepaalde gedachten over pluriformiteit en veronderstelde wedergeboorte. Tegelijk wordt gezegd dat hij zich van harte bond aan de Drie Formulieren van Eenheid. Dat voorbeeld is juist leerzaam - maar anders dan gemakkelijk wordt gedacht.

Dit voorbeeld kan illustreren dat de kerk iemand niet op een etiket alleen behoort te beoordelen wanneer hij zich aan de confessie bindt. Het bewijst echter niet dat iedere onder het woord “pluriformiteit” vallende opvatting daarom confessioneel toegestaan is. Precies daarom moet worden gevraagd wat iemand onder pluriformiteit verstaat en of dat met NGB 27-29 te verenigen is.

16. Holwerda, Greijdanus, Doekes en Schilder: eerst bekering, dan eenheid

Na de Vrijmaking blijkt dezelfde gereformeerde volgorde in het gezamenlijke Getuigenis van 1946. Dit stuk werd mede ondertekend door L. Doekes, S. Greijdanus, B. Holwerda en K. Schilder. Daar staat:

“Eerst van de bekeering der leden en pas daarna van de éénheid der kerk”

Getuigenis aan alle Gereformeerde belijders van den Christus in Nederland, Generale Synode Groningen 1946, slotpagina.

Deze mannen waren dus niet tegen eenheid. Maar zij wilden geen eenheid waarin zonde, onrecht of noodzakelijke bekering werd overgeslagen. Eenheid staat onder de waarheid en onder de gehoorzaamheid aan Christus.

17. Kamphuis: de kerk wordt concreet plaatselijk vergaderd

J. Kamphuis benadrukt eveneens het concrete karakter van de kerk. In zijn kerkrechtelijke werk schrijft hij:

“dat de kerk des Heren plaatselijk wordt vergaderd en plaatselijk openbaar moet worden als de gemeente Gods.”

J. Kamphuis, Om de heiligheid van de gemeente (1982), hoofdstuk 9, p. 176-177.

Ook hier is de kerk geen abstracte eenheid boven de concrete kerkelijke werkelijkheid. Christus vergadert Zijn gemeente zichtbaar en plaatselijk. De rijke verscheidenheid van 1 Korinthe 12 behoort daarom bij de vele leden van het ene lichaam, niet bij een theorie die kerkelijke tegenstrijdigheid tot Gods bedoelde pluriformiteit verheft.

18. De redenering van De Bazuin moet ook worden omgekeerd

De kern van het Bazuin-artikel — niet eigenmachtig binden — moet worden behouden. Maar de toepassing op de pluriformiteit moet worden aangescherpt. De vraag is niet eenvoudig of wij anderen aan “onze kritiek” mogen binden. De vraag is eerst wat de kerken gezamenlijk in NGB 27-29 belijden.

Daarom kan de gereformeerde formulering nauwkeuriger luiden:

Wie bindt waar Christus niet bindt, kan zich daarvoor niet op Schilder en de Vrijmaking beroepen. Maar wie loslaat waar Christus wél bindt, evenmin. Wanneer uit Schrift en belijdenis is aangetoond dat een leer daarmee strijdt, kan het blijvend beschermen van die leer als legitieme “stroming” niet worden verdedigd met een beroep op de man die juist eiste dat de kerk “ja” en “neen” niet verzoent, maar onder het Woord naar waarheid en eenstemmigheid zoekt.

Die omkering volgt uit dezelfde norm in twee richtingen. De Vrijmaking verdedigt niet een zelfstandig recht van iedere mening om als stroming te blijven bestaan. Zij verdedigt de vrijheid van de kerk onder Christus: geen menselijke formule mag de publieke basis smaller maken dan Schrift en belijdenis. Maar om dezelfde reden mag de kerk die basis evenmin breder maken door hetgeen met Schrift en belijdenis strijdt als blijvend legitieme stroming te beschermen. Schilder wil noch menselijke toevoeging aan de norm, noch relativering van de norm. Hij wil de kerk breed in mensen en strikt gebonden aan haar Koning.

“Wanneer de kerk haar roeping verstaat, zal ze protesteren tegen elke verzoening van ‘ja’ en ‘neen’.”

K. Schilder, Americana (1942), V, “De pluriformiteit der kerk”.

Een kerk kan vele leden, gaven en accenten kennen. Zij hoeft geen uniforme gemeenschap te zijn. Maar haar veelkleurigheid wordt gereformeerd verstaan binnen de ene vergadering van Christus en onder hetzelfde Woord. Waar werkelijk “ja” en “nee” tegenover elkaar staan over hetgeen Christus van Zijn kerk eist, is het doel niet dat beide voor altijd een eigen kamer in hetzelfde huis krijgen. Het doel is dat de kerk samen teruggaat naar Schrift en belijdenis en zich door haar ene Koning laat onderwijzen. Een dwaling tijdelijk verdragen terwijl zij onderzocht en bestreden wordt, is daarom iets anders dan haar als blijvend rechtmatige stroming erkennen.

19. Niet binden - en niet loslaten

Waar Christus vrijheid laat, laat elkaar vrij. Waar onderzoek nodig is, onderzoek samen. Waar een broeder dwaalt maar nog verdragen moet worden, verdraag hem en overtuig hem uit het Woord. Waar schuld ligt, bekeer u. Waar Christus bindt, buig. Waar Hij tot eenheid roept, verenig u.

Aan het einde van zijn lange strijd tegen de pluriformiteitsleer schrijft Schilder een waarschuwing die ook vandaag haar kracht niet verloren heeft:

“Van de pluriformiteit der kerk tot de pluriformiteit der waarheid is een kleine stap. Maar een noodlottige.”

K. Schilder, “Pluriformiteit der kerk en epigonisme (nieuwe reeks) XX”, in De Kerk, deel I (1960), p. 444-445.

Dat is geen pleidooi voor sektarisme. Het is een waarschuwing tegen het oplossen van confessionele tegenstellingen door ze eenvoudig “stromingen” te noemen. Schilders breedheid tegenover mensen rust juist op de scherpte van de publieke norm. De kerk wordt niet breed doordat haar grondslag rekbaar wordt, maar doordat geen menselijke partij, ligging, sfeer of extra leerformule naast Schrift en belijdenis als toelatingsvoorwaarde mag optreden. En diezelfde norm verbiedt dat een aangetoonde dwaling tot een blijvend rechtmatige positie wordt verheven. De vrede van de kerk ontstaat daarom niet doordat “ja” en “nee” voldoende ruimte krijgen om naast elkaar te blijven leven, maar doordat zeer verschillende mensen samen buigen voor het ene Woord van hun ene Heer, Jezus Christus.

Geraadpleegde bronnen

Besproken artikel

De Bazuin, “Een kerk met stromingen maar zonder partijen. Wat leert K. Schilder ons over eenheid?”

Belijdenis en klassieke bron

Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikelen 27, 28 en 29. Calvijn, Johannes, Institutie van de christelijke godsdienst, boek IV, hoofdstuk 1, in het bijzonder §§ 9-12.

K. Schilder en aanverwante primaire bronnen

Schilder, K., Americana (1942), V: “De pluriformiteit der kerk”. Schilder, K., Christelijke religie (1949), art. 27: “De Ecclesia Catholica”, en art. 28: “De communione sanctorum cum vera Ecclesia”. Schilder, K., “Er zijn daar nog geloovigen...”, De Reformatie, 1 maart 1940; herdrukt in Verzamelde werken 1940- 1941 (1995). Schilder, K., “Frankforts moeiten en Calvijn”, De Reformatie, 23 februari 1940; herdrukt in Verzamelde werken 1940-1941 (1995). Schilder, K., “‘Geref. Jongelingsblad’ en pluriformiteit”, De Reformatie, 1 december 1939; herdrukt in De Kerk, deel II (1962), p. 399-402.

Schilder, K., “Contact Gereformeerden-Christelijk Gereformeerden. Geen versterking van den invloed van Docent Kersten”, in De Kerk, deel I (1960), p. 233 e.v.

Schilder, K., “Over kerk en kerken”, in De Kerk, deel I (1960), p. 179-183. Schilder, K., “Pluriformiteit der kerk en epigonisme”, in De Kerk, deel I (1960), in het bijzonder p. 314 e.v. en de slotaflevering op p. 444-445. Schilder, K. en D.H.Th. Vollenhoven, Rapporten inzake de pluriformiteit der Kerk (1939), deel IV. Acte van Vrijmaking of Wederkeer, 11 augustus 1944; herdrukt in K. Schilder, Verzamelde werken 1942-1944 (1998), p. 524-529. Getuigenis aan alle Gereformeerde belijders van den Christus in Nederland, Generale Synode Groningen 1946. Schilder, K., Zur Begriffsgeschichte des “Paradoxon” (Erlangen, 1933), curriculum vitae, p. 469.

Kamphuis, J., Om de heiligheid van de gemeente (1982), hoofdstuk 9, p. 176-177.

Biografische en documenterende literatuur

Dee, J.J.C., K. Schilder, zijn leven en werk, deel I: 1890-1934 (Goes, 1990), p. 239-240.

Deddens, D. en M. te Velde (red.), Vrijmaking - Wederkeer. Vijftig jaar Vrijmaking in beeld gebracht (1994), p. 145, met het aangehaalde fragment uit Schilders brief van 16 februari 1951.

Online raadpleging: teksten van Schilder via de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL); het werk van Kamphuis via het Deddens Kerkrecht Centrum; het Getuigenis van 1946 via Digibron.

Terug naar Ontwikkelingen in de GK