In De Bazuin schrijft ds. R.C. Janssen over de toenemende verscheidenheid binnen de Canadian Reformed Churches (CanRC). De gemeenten zijn verspreid over een uitgestrekt land en bestaan steeds minder uitsluitend uit mensen met een Nederlandse achtergrond. Verschillende nationaliteiten, talen en kerkelijke gewoonten vinden er een plaats.
Daartegen bestaat geen enkel Schriftuurlijk bezwaar. Christus vergadert Zijn kerk uit alle volken, stammen, talen en natiën. De kerk is niet Nederlands, Canadees of Zuid-Afrikaans. Zij is katholiek, omdat zij de ene kerk van Jezus Christus is, door alle eeuwen en over de gehele aarde.
Maar het artikel beschrijft meer dan culturele verscheidenheid. Het gaat ook over veranderingen in de kerkelijke identiteit, de toelating van predikanten en de vrijheid van plaatselijke gemeenten.
Daarmee komen zaken in het geding die niet tot menselijke gewoonten behoren, maar rechtstreeks raken aan de gereformeerde belijdenis.
Hier gaat het niet meer slechts over verscheidenheid binnen de kerk, maar over de vraag of de grenzen die Christus aan Zijn kerk heeft gesteld, worden onderhouden.
De kerk is één
Artikel 27 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis begint met de belijdenis:
„Wij geloven en belijden een enige katholieke of algemene Kerk.”
Niet twee of meer naast elkaar bestaande ware kerken, maar één kerk die Christus door Zijn Woord en Geest vergadert.
Artikel 28 gebiedt vervolgens dat alle gelovigen zich bij deze kerk voegen, zich met haar verenigen, haar eenheid onderhouden en zich aan haar onderwijs en tucht onderwerpen.
Artikel 29 leert dat men zorgvuldig vanuit Gods Woord moet onderscheiden welke de ware kerk is en welke de valse kerk.
Deze artikelen laten geen ruimte om de feitelijke veelheid van kerkelijke instituten als een vanzelfsprekend recht te erkennen.
Prof. dr. K. Schilder schreef in De Reformatie van 19 januari 1940:
„De kerk is één; er zijn er niet twee of drie of vier”.
Hij onderscheidde nadrukkelijk de veelheid van instituten die zich als kerk aandienen van de vraag of zij ook daadwerkelijk rechtmatig kerk van Christus zijn.
Waar een kerkelijke breuk heeft plaatsgevonden, moet daarom naar Schrift en belijdenis worden onderzocht waar de wettige kerkelijke weg wordt onderhouden en waar bekering en terugkeer noodzakelijk zijn.
Niet wederzijdse erkenning, maar gehoorzaamheid aan Christus is de weg tot herstel van de geschonden kerkelijke gemeenschap.
Ook prof. J. Kamphuis heeft in Roeping en recht tot oefening van kerkverband verdedigd dat het kerkverband geen vrijblijvende overeenkomst tussen zelfstandige kerkelijke instellingen is. De plaatselijke kerken behoren vanwege het ene Woord en het ene werk van Christus bij elkaar en zijn daarom geroepen hun kerkelijke gemeenschap daadwerkelijk te onderhouden.
De kerkelijke eenheid is geen menselijke wens, maar een goddelijke verplichting.
Men mag een onrechtmatige kerkelijke scheiding niet laten voortbestaan door eenvoudig onderlinge afspraken over kansel- en avondmaalsgemeenschap te maken.
De kansel wordt buiten de officiële kerkelijke gemeenschap opengesteld
De Generale Synode Aldergrove 2025 heeft in artikel 73, Rule 2, besloten dat plaatselijke gemeenten kanselgemeenschap mogen aangaan met andere plaatselijke kerken van gereformeerde belijdenis waarmee geen officiële kerkverbandelijke gemeenschap bestaat.
Daarvoor is instemmend advies van de classis vereist. De plaatselijke kerk moet bovendien verantwoording afleggen aan de classis over haar kerkelijke contacten.
Het gaat dus niet om een onbeperkte bevoegdheid van de plaatselijke kerkenraad.
Toch is een wezenlijke verandering aangebracht: kanselgemeenschap hoeft niet meer in alle gevallen voort te vloeien uit een door de generale synode vastgestelde kerkelijke relatie.
Maar de kansel is geen plaats waar predikanten van verschillende kerkelijke instituten eenvoudig als gastspreker optreden.
Daar wordt het Woord van Christus ambtelijk bediend.
Artikel 29 NGB noemt de zuivere prediking van het Evangelie als eerste kenmerk van de ware kerk. Artikel 31 spreekt bovendien over de wettige roeping tot het ambt.
Wie een predikant tot de kansel toelaat, behoort daarom niet alleen zijn persoonlijke opvattingen te onderzoeken, maar ook zijn wettige ambtelijke bediening en zijn kerkelijke positie.
Wanneer kerkelijke instituten gescheiden naast elkaar staan, kan men de rechtmatigheid van die scheiding niet buiten beschouwing laten.
Een onrechtmatige afscheiding wordt niet rechtmatig doordat een classis toestemming verleent voor kanselruil.
De gemeente Fergus North heeft de Canadese synode uitdrukkelijk gewaarschuwd dat de nieuwe regeling tot verschillende beoordelingen door de classes zou kunnen leiden.
De synode antwoordde dat de regeling juist bedoeld was om rekening te houden met plaatselijke omstandigheden.
Maar verschillende plaatselijke omstandigheden rechtvaardigen nog geen verschillende principiële maatstaven.
Wat naar Gods Woord een onwettige ambtsbediening is, wordt niet wettig doordat een andere classis daar anders over oordeelt.
Daarmee is niet gezegd dat de Canadese classes inmiddels daadwerkelijk tegenstrijdige principiële beslissingen hebben genomen. Dat is met de onderzochte synodeacta niet aangetoond.
Maar het gevaar dat de kerken zelf hebben aangewezen, verdient een principieel antwoord. De synode behoort duidelijk te maken hoe de gezamenlijke bewaking van de zuivere Woordbediening wordt verzekerd.
Dat betekent niet dat iedere beslissing over een gastpredikant door de generale synode moet worden genomen. Artikel 30 van de Dordtse Kerkorde leert immers dat meerdere vergaderingen niet behoren te behandelen wat in mindere vergaderingen kan worden afgehandeld.
Maar datzelfde artikel beschermt ook de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de kerken.
Kamphuis noemt het daarom zowel anti-hiërarchisch als anti-independentistisch.
De vraag is dus niet welke vergadering de meeste macht heeft, maar welke zaken de kerken naar Gods Woord gemeenschappelijk behoren te beoordelen.
De wettigheid van de ambtelijke Woordbediening mag daarbij niet tot een kwestie van plaatselijke voorkeur worden gemaakt.
Het gesloten avondmaal en de grenzen van de kerk
Nog ernstiger is de regeling voor het heilig avondmaal.
Dezelfde synode bepaalt in artikel 73, Rule 2, dat leden van andere gereformeerde kerken overeenkomstig plaatselijke regelingen tot het avondmaal kunnen worden toegelaten, ook wanneer er geen officiële kerkverbandelijke gemeenschap bestaat.
Daarmee wordt plaatselijke avondmaalsgemeenschap mogelijk buiten de vooraf gezamenlijk erkende kerkelijke betrekkingen.
De CanRC handhaven artikel 61 van hun kerkorde. Daarin wordt bepaald dat de kerkenraad alleen degenen tot het avondmaal mag toelaten die openbaar belijdenis van het gereformeerde geloof hebben gedaan en een godvrezend leven leiden. Voor leden van zusterkerken wordt bovendien een goed getuigenis over leer en leven verlangd.
Dat artikel is niet afgeschaft.
Sterker nog, de Canadese synode van Burlington-Waterdown 1986 heeft in artikel 132 uitdrukkelijk vastgesteld dat artikel 61 de toelating regelt van allen die aan het avondmaal willen deelnemen, ook van gasten.
Zij verklaarde bovendien dat de toelating tot het heilig avondmaal een wezenlijke zaak van kerkelijke tucht is.
Het is dus niet juist te beweren dat de CanRC in 2025 voor het eerst de mogelijkheid van gasttoelating hebben erkend.
Maar daarmee is de principiële vraag nog niet beantwoord.
Er bestaat immers een wezenlijk verschil tussen de beoordeling van een individuele gast onder de verantwoordelijkheid van de kerkenraad en het scheppen van een algemene mogelijkheid tot plaatselijke avondmaalsgemeenschap met kerkelijke instituten waarmee geen officiële kerkelijke gemeenschap bestaat.
Het avondmaal is geen persoonlijke geloofsbijeenkomst.
Het is een sacrament van Christus, bediend in Zijn kerk, onder het opzicht en de tucht van de door Hem aangestelde ambtsdragers.
Artikel 35 NGB spreekt over degenen die Christus in Zijn huisgezin, dat is Zijn kerk, heeft ingelijfd.
De Heidelbergse Catechismus leert in zondag 30 dat de kerk verplicht is de tafel te bewaren en degenen die zich in leer of leven als ongelovigen en goddelozen gedragen daarvan af te houden.
Daarom kan de toelating tot het avondmaal niet worden losgemaakt van de concrete kerkelijke gemeenschap en haar tucht.
Een persoonlijk bewaakte tafel is nog niet zonder meer hetzelfde als een kerkelijk gesloten avondmaalstafel, wanneer de grenzen van de officieel onderhouden kerkelijke gemeenschap voor de toelating worden verruimd.
Juist daarom vraagt het Canadese besluit om een principiële verantwoording.
Wie deelneemt aan het ene brood, belijdt immers gemeenschap met Christus en Zijn lichaam. De apostel Paulus verbindt in 1 Korinthe 10:16–17 de gemeenschap aan het brood nadrukkelijk aan de eenheid van het lichaam.
De kerkelijke gemeenschap aan Christus’ tafel mag daarom niet worden losgemaakt van de roeping tot daadwerkelijke kerkelijke eenheid.
Wanneer twee instituten tegenover elkaar staan, is niet uitsluitend de vraag of hun leden hetzelfde geloof belijden.
Dan moet ook de rechtmatigheid van hun afzonderlijke kerkelijke bestaan worden onderzocht.
Een kerkelijke scheiding wordt niet opgelost doordat men elkaar aan het avondmaal ontvangt.
En een avondmaalsgemeenschap die de onopgeloste kerkelijke scheiding laat voortbestaan, kan niet zonder meer als vervulling van de door Christus geboden kerkelijke eenheid worden beschouwd.
Wat blijft er over van de kerkelijke tucht?
Bij officiële kerkelijke gemeenschap schrijft de Canadese synode uitdrukkelijk voor dat de betrokken kerken elkaars procedures van kerkelijke tucht en pastorale zorg respecteren.
In de nieuwe regeling voor plaatselijke kerkelijke betrekkingen ontbreekt deze afzonderlijke bepaling.
Daarmee is niet bewezen dat de kerkelijke tucht is afgeschaft of dat zij in de CanRC niet meer gehandhaafd wordt.
De synode heeft immers ook uitdrukkelijk vastgesteld dat de kerkorde de plaatselijke avondmaalstoelating blijft beheersen.
Maar juist daarom mag de volgende vraag niet onbeantwoord blijven:
Hoe wordt bij deze nieuwe plaatselijke kerkelijke gemeenschap verzekerd dat rechtmatige tuchtmaatregelen van de ene kerkenraad niet door een andere kerkenraad worden doorkruist?
Stel dat iemand door zijn eigen kerkenraad wegens hardnekkige ongehoorzaamheid van het heilig avondmaal is afgehouden.
Hij bezoekt vervolgens een andere gemeente die volgens haar plaatselijke regeling gasten uit andere gereformeerde kerken ontvangt.
Wanneer die gemeente zijn kerkelijke positie niet zorgvuldig onderzoekt en geen betrouwbaar getuigenis over zijn leer en leven inwint, kan deze persoon daar alsnog worden toegelaten.
Dan wordt de rechtmatige tucht van de ene kerkenraad feitelijk doorkruist door de toelating van een andere.
Niet omdat er bekering heeft plaatsgevonden.
Niet omdat de tuchtmaatregel onrechtmatig is bevonden.
Maar omdat de kerkelijke verantwoordelijkheid niet voldoende gezamenlijk wordt onderhouden.
Dit is een mogelijk gevolg van onvoldoende kerkelijk onderzoek, geen bewezen gebeurtenis binnen de CanRC.
Maar juist daarom moet de vraag gesteld worden welke gemeenschappelijke waarborgen zulke gevallen verhinderen.
De synode van 1986 heeft de avondmaalstoelating immers zelf uitdrukkelijk verbonden aan de kerkelijke tucht.
Waarom wordt dan in de nieuwe plaatselijke regeling niet even duidelijk vastgelegd hoe de betrokken kerken elkaars rechtmatige tuchtmaatregelen zullen onderzoeken en eerbiedigen?
Het enkele ontbreken van deze afzonderlijke bepaling bewijst nog niet dat de bestaande kerkorde onvoldoende bescherming biedt. Maar de nieuwe regeling roept wel de dringende vraag op hoe die bescherming bij kerkelijke contacten buiten de officiële zusterkerkrelaties concreet wordt toegepast.
Een avondmaalstafel waarbij iemand zich door ononderzocht elders aan te gaan aan rechtmatige kerkelijke tucht kan onttrekken, wordt niet overeenkomstig de gereformeerde beginselen bewaakt.
Artikel 29 NGB noemt zowel de zuivere bediening van de sacramenten als de oefening van de kerkelijke tucht als kenmerken van de ware kerk.
Deze twee mogen nooit van elkaar worden gescheiden.
De kerkenraad kan niet enerzijds verantwoordelijk zijn voor de zuivere bediening van Christus’ tafel en anderzijds onverschillig zijn tegenover de vraag onder welk kerkelijk opzicht en welke tucht de toegelaten avondmaalsganger staat.
Hier is niet slechts kerkelijke voorzichtigheid geboden, maar gehoorzaamheid aan Christus.
De gereformeerde identiteit is geen verzameling menselijke gewoonten
Janssen schrijft:
„Deze toenemende diversiteit heeft geleid tot bezinning op onze identiteit.”
Vervolgens bespreekt hij onder andere de grotere plaatselijke vrijheid in de kerkzang.
De synode heeft in artikel 115 besloten dat de 150 Psalmen een fundamentele plaats in de eredienst behoren te behouden. Ook blijft het door de generale synode vastgestelde liedboek in de regel de voornaamste plaats innemen.
Daarnaast mogen kerkenraden andere psalmberijmingen en gezangen goedkeuren, mits deze overeenstemmen met Gods Woord zoals beleden in de Drie Formulieren van Enigheid.
Daarmee is niet bewezen dat onschriftuurlijke liederen worden toegelaten.
Wel wordt een deel van de beoordeling nadrukkelijker bij de plaatselijke kerkenraad gelegd.
In samenhang met de besluiten over kansel- en avondmaalsgemeenschap roept dat de vraag op hoe de kerken hun gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de zuivere leer blijven onderhouden.
Janssen schrijft vervolgens:
„Want onze identiteit is ons gemeenschappelijke geloof in de Drie-enige God, niet de details van onze praktijk.”
Maar hier moet principieel worden onderscheiden.
De gereformeerde identiteit ligt inderdaad niet in Nederlandse gebruiken of Geneefse melodieën.
Maar behoort de wettige Woordbediening tot de details?
Is de zuivere bediening van het heilig avondmaal een detail?
Is de kerkelijke tucht een detail?
En is de door Christus geboden eenheid van Zijn kerk een bijkomstige zaak?
De Nederlandse Geloofsbelijdenis leert het tegendeel.
De kerk is één. Zij moet haar eenheid onderhouden. Zij wordt gekend aan de zuivere prediking, de zuivere sacramenten en de kerkelijke tucht.
Dat zijn geen menselijke tradities die naar veranderende omstandigheden kunnen worden aangepast.
Het zijn wezenlijke onderdelen van de regering van Christus over Zijn kerk.
Kamphuis waarschuwde daarom tegen het independentisme, waarbij de kerken hun gemeenschappelijke verantwoordelijkheid verliezen.
In zijn behandeling van artikel 30 van de Dordtse Kerkorde benadrukt hij dat de kerken bepaalde zaken niet slechts gemeenschappelijk behandelen omdat zij dat hebben afgesproken. Zij hebben die zaken gemeenschappelijk omdat Christus hen aan hetzelfde Woord heeft gebonden.
Daartoe behoort allereerst de waarheid van Gods Woord.
Daarom moet de kerkelijke gehoorzaamheid niet alleen plaatselijk, maar ook gezamenlijk worden bewaakt.
De grote afstanden in Canada mogen de praktische inrichting van het kerkverband beïnvloeden. Zij veranderen niet wat Christus omtrent Zijn kerk heeft geboden.
De waarheid van Gods Woord wordt niet anders zodra men een andere provincie of classis binnenkomt.
Waar ligt de grens?
Hier ligt de principiële vraag die door de Canadese synodebesluiten wordt opgeroepen.
Niet iedere verandering van een kerkordelijke bepaling is een afwijking van de gereformeerde belijdenis.
Maar een synode mag ook niet onder de naam van plaatselijke vrijheid mogelijkheden openen die afbreuk doen aan de door Christus geboden kerkelijke eenheid, de zuivere ambtsbediening, het gesloten avondmaal en de kerkelijke tucht.
Juist daarom verdient Rule 2 een veel indringender confessionele verantwoording.
De regel maakt plaatselijke kansel- en avondmaalsgemeenschap buiten officiële kerkelijke betrekkingen mogelijk, maar schrijft in diezelfde bepaling niet uitdrukkelijk voor dat de rechtmatigheid van de bestaande kerkelijke scheiding wordt onderzocht, dat de daadwerkelijke kerkelijke eenheid wordt gezocht en dat de betrokken kerken elkaars rechtmatige tuchtmaatregelen erkennen.
Dat betekent niet dat iedere plaatselijke toepassing noodzakelijk onschriftuurlijk zal zijn.
Evenmin betekent het dat alle gevreesde gevolgen zich reeds hebben voorgedaan.
Maar het betekent wel dat de kerken zich rekenschap moeten geven van wat zij hiermee kerkelijk erkennen en welke grenzen Christus Zelf aan Zijn kerkelijke gemeenschap stelt.
Artikel 27 belijdt één kerk.
Artikel 28 gebiedt de eenheid van deze kerk daadwerkelijk te onderhouden.
Artikel 29 geeft de kenmerken waaraan de ware kerk gekend wordt.
En artikel 32 bepaalt dat kerkelijke regelingen niet mogen afwijken van hetgeen Christus bevolen heeft.
Waar de nieuwe vrijheid ertoe leidt dat een onrechtmatige kerkelijke scheiding wordt bestendigd, de wettige ambtsbediening onvoldoende wordt bewaakt of rechtmatige kerkelijke tucht kan worden omzeild, is dat niet slechts een verschil in kerkelijke praktijk.
Daar wordt gehandeld in strijd met de gereformeerde belijdenis.
Daarom behoort deze regeling opnieuw aan Schrift en belijdenis te worden getoetst. Daarbij mogen de kerken niet tevreden zijn met de enkele verzekering dat de gereformeerde identiteit behouden blijft.
Zij behoren ook aan te tonen hoe die identiteit in de concrete kerkelijke gehoorzaamheid wordt gehandhaafd.
De kerk behoort aan Christus
Het is goed wanneer de kerk mensen van verschillende nationaliteiten en achtergronden ontvangt.
Het is goed wanneer zij menselijke gewoonten onderscheidt van goddelijke geboden.
Maar de gehoorzaamheid aan Christus mag nooit onder de naam van verscheidenheid worden verzwakt.
Schilder waarschuwde in zijn artikel Een goede buur is slechter dan een verre vijand tegen een kerkelijke goede verstandhouding waarbij de eigenlijke breuk onopgelost blijft.
Dat onderwijs is nog altijd actueel.
De kerkelijke verdeeldheid wordt niet geheeld doordat men elkaars predikanten ontvangt.
De kerkelijke eenheid wordt niet bewaard doordat men zonder voldoende kerkelijke verantwoording elkaars avondmaalsgangers toelaat.
En de tucht van Christus wordt niet gehandhaafd wanneer haar werking door onvoldoende onderlinge bewaking kan worden doorkruist.
De kerk heeft niet de vrijheid haar grenzen vast te stellen naar de behoeften van de tijd.
Zij behoort aan Jezus Christus.
Hij vergadert één kerk.
Hij geeft haar Zijn Woord.
Hij heiligt haar door Zijn sacramenten.
Hij regeert en bewaart haar ook door de kerkelijke tucht.
Daarom mag geen kerkenraad, classis of synode onder de naam van vrijheid losmaken wat Christus in Zijn kerk heeft samengevoegd.
De gereformeerde identiteit ligt niet in de Nederlandse afkomst.
Zij ligt in het bewaren van de waarheid van Gods Woord, in de gemeenschap van de ene kerk van Christus en in de gehoorzaamheid aan alles wat Hij haar heeft bevolen.
Niet de veranderende omstandigheden bepalen de grenzen van de kerk. Christus bepaalt die grenzen door Zijn Woord.
En aan dat Woord moeten alle kerken zich onderwerpen.
Bronnen
Ds. R.C. Janssen, Gereformeerde Canadezen — De diversiteit van de Canadian Reformed Churches. De Bazuin, rubriek Geloven en Belijden, blz. 24–25.
Canadian Reformed Churches, Acts of General Synod Aldergrove 2025. Artikel 73, blz. 59–67, over kerkelijke betrekkingen en de nieuwe Rule 2. Artikel 115, blz. 95–109, over kerkelijke zang.
Canadian Reformed Churches, Church Order. Met name artikelen 50, 55, 56, 61, 62 en 66–68.
Canadian Reformed Churches, Acts of General Synod Burlington-Waterdown 1986. Artikel 132, blz. 58–60, over de toelating tot het heilig avondmaal en het verband met de kerkelijke tucht.
Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikelen 27, 28, 29, 31, 32 en 35. Heidelbergse Catechismus, zondag 30, vragen en antwoorden 81–82.
K. Schilder, Pluriformiteit of pluraliteit. De Reformatie, 19 januari 1940; opgenomen in De Kerk, deel II, blz. 424–425.
K. Schilder, Een goede buur is slechter dan een verre vijand. De Reformatie, 30 juni 1933; opgenomen in De Kerk, deel I.
J. Kamphuis, Roeping en recht tot oefening van kerkverband, 1966, in het bijzonder blz. 83–88, over de Schriftuurlijke verplichting tot kerkverband en artikel 30 van de Dordtse Kerkorde.
